Het tekort van het teveel
Het tekort van het teveel
Rob van Renen, Wouter Kwakman, 19 januari 2026
In de jeugdhulp praten we al jaren over normaliseren en demedicaliseren. Alsof het vooral een uitvoeringsvraagstuk is. Alsof we met betere toegangspoorten, scherpere definities en nieuwe arrangementen vanzelf de goede kant op bewegen. Het boek ‘Het tekort van het teveel – De paradox van de mentale zorg’ van Damiaan Denys laat zien dat die aanname te mager is. Het probleem zit niet in de inrichting van het stelsel. Het zit dieper, in hoe wij als samenleving omgaan met lijden, ongemak en falen.
Denys schreef zijn boek in 2020. Vijf jaar later is het ongemakkelijk actueel. De zorgkosten zijn verder gestegen. De personeelstekorten zijn groter. En nog steeds verwachten we dat “de zorg” oplossingen biedt voor problemen die in wezen niet oplosbaar zijn. En hoewel Denys zich richt op de GGZ en de psychiatrie, is de dynamiek die hij beschrijft één-op-één herkenbaar in de jeugdhulp.
De paradox
De kern van Denys’ betoog is even simpel als confronterend: hoe beter we de zorg organiseren en hoe toegankelijker we haar maken, hoe groter de zorgvraag wordt en hoe hoger de kosten oplopen.
Dat is geen toeval. En geen beleidsfout. Het is het gevolg van een structurele wisselwerking tussen zorgvragers en zorgaanbieders, ingebed in een samenleving die steeds minder verdraagt.
De zorgvrager is in dit verhaal niet in de eerste plaats iemand met een duidelijk afgebakende stoornis, maar iemand die leeft in een cultuur waarin hoge eisen worden gesteld aan geluk, zelfontplooiing, weerbaarheid en functioneren. Verdriet, angst, stress, identiteitsvragen en uitputting horen daar slecht bij. Ze worden steeds minder gezien als onderdeel van het leven, en steeds vaker als signalen dat er “iets mis” is waarvoor professionele hulp beschikbaar moet zijn.
De grens tussen lijden en ziekte vervaagt. Voor steeds meer vormen van ongemak bestaat een diagnose, een route, een voorziening. Daarmee wordt het tekort – het onvermijdelijke ongemak, de pijn en de tragiek van het bestaan – iets dat we liever niet meer willen verdragen.
Tegelijkertijd zit de zorgaanbieder gevangen in een systeem dat begrenzen structureel ontmoedigt. Professionele ethiek stuurt op helpen. Het stelsel organiseert wantrouwen via protocollen, indicaties, toezicht en verantwoording. Wie zegt “dit hoort bij het leven”, loopt risico. Juridisch, bestuurlijk, politiek. Daar komt bij dat het systeem activiteit beloont. Intake, diagnostiek, behandeling en opschaling zijn zichtbaar, financierbaar en uitlegbaar. Terughoudendheid is dat niet.
Zo versterken zorgvraag en zorgaanbod elkaar. De zorgvraag krijgt erkenning en bevestiging. Het zorgaanbod krijgt morele en organisatorische rechtvaardiging om uit te breiden. Het gevolg is een vrijwel automatische volumegroei, met oplopende kosten, personeelstekorten en bureaucratische druk. Volgens Denys missen pogingen om dit te corrigeren via efficiency, marktwerking of strengere indicaties de kern van de zaak. Ze blijven binnen dezelfde logica opereren. Ze repareren het systeem dat het probleem zelf produceert.
De kern ligt dieper. In de vraag wat wij onder zorg zijn gaan verstaan. De GGZ is gaandeweg verantwoordelijk gemaakt voor geluk, zingeving, levensproblemen en sociale mislukkingen. Zolang we die verantwoordelijkheden bij de zorg blijven neerleggen, zal de zorgvraag blijven groeien. Hoeveel capaciteit we er ook tegenaan gooien.
Daarom pleit Denys niet voor technische ingrepen, maar voor een culturele en morele heroriëntatie. Opnieuw leren onderscheiden tussen normaal psychisch lijden en psychiatrische stoornissen. Zonder het eerste weg te wuiven. Zonder het tweede te bagatelliseren.
En vooral: opnieuw accepteren dat niet elk probleem, niet ieder ongemak, oplosbaar is. En dat sommige vormen van lijden niet verholpen, maar gedragen moeten worden. Door mensen zelf, hun omgeving en de samenleving als geheel.
De jeugdhulp kijkt in de spiegel
Wie dit leest met de jeugdhulp in het achterhoofd, ziet het probleem meteen. Historisch kende het veld een onderscheid tussen begeleiding en behandeling. Begeleiding ging over ondersteunen bij ontwikkeling en opvoeding. Behandeling over psychische problematiek.
Dat onderscheid is de afgelopen jaren steeds verder vervaagd. Jeugdigen worden door GGZ-instellingen “begeleid”, omdat dat vriendelijker klinkt dan “behandeld”. Jeugd- en opvoedinstellingen behandelen steeds vaker opvoed- en ontwikkelvragen. En in de tariefstructuur loont behandelen meer dan begeleiden. Ook hier stuurt het systeem richting medicalisering en opschaling.
Beleidsmatig is dit allang onderkend. In regionale visies wemelt het van de woorden normaliseren en demedicaliseren. De analyse is breed gedeeld. De praktijk blijft achter. Normaliseren gebeurt vooral op papier. In gedrag, keuzes en volumes zien we er weinig van terug.
Het echte knelpunt
Het echte knelpunt is geen gebrek aan kennis. En ook geen gebrek aan goede bedoelingen. Het echte knelpunt is verantwoordelijkheid. Werkelijk normaliseren betekent dat we accepteren dat niet alles wordt opgelost. Dat sommige situaties ontsporen. Dat niet elk risico wordt afgedekt. Dat er kinderen en gezinnen zullen zijn waarbij het misgaat, terwijl er geen voorziening is ingeschakeld.
Dat is moreel ingewikkeld. En politiek riskant.
Wij zien weinig lokale politici in raadsvergaderingen het pleidooi houden om met de hulpverlening weer “normaler” te gaan doen, en daar de consequenties ook expliciet bij te nemen. Het debat blijft veilig: notities, raadsbrieven, pilots, en wachten op landelijke kaders.
Zolang niemand het morele eigenaarschap neemt over de vraag wat we níet meer tot zorg rekenen, blijft het systeem doen wat het doet: uitbreiden. Zorgvragers, zorgaanbieders en gemeenten kunnen dit onderling niet oplossen. Hun drijfveren liggen te diep verankerd in dezelfde logica.
Zolang wij als samenleving die herijking niet aandurven, moeten we eerlijk zijn: dan blijven de kosten stijgen. Niet omdat het stelsel faalt, maar omdat het te goed functioneert binnen de waarden die wij er zelf in hebben gelegd.
Tot slot
Roeptoeteren is makkelijk. “Het moet anders” roepen ook.
De vraag is niet welke nieuwe instrumenten we nodig hebben. De vraag is welk gesprek we moeten durven voeren. Denys’ boek is interessant omdat het vol staat van paradoxen. Paradoxen dwingen tot denken. Ze ondergraven vanzelfsprekendheden.
Als gemeenten twee of drie van die paradoxen als vertrekpunt zouden nemen voor serieuze dialoog — met professionals, bestuurders, politici en inwoners — zou dat het debat over jeugdhulp inhoudelijker maken. Minder over structuren. Minder over geld. Meer over grenzen. Over verantwoordelijkheid. Over wat we wel en niet van zorg mogen verwachten.
Wie durft?








