Waarom de Hervormingsagenda jeugd niet ver genoeg gaat
Waarom de Hervormingsagenda jeugd niet ver genoeg gaat
Rob van Renen, Wouter Kwakman, 25 januari 2026
In 2015 werd de jeugdhulp gedecentraliseerd. Gemeenten kwamen aan het roer. Dichterbij de jeugdige, dichterbij het gezin, dus beter maatwerk en uiteindelijk lagere kosten. Het Rijk gaf de gemeenten geld mee. Maar ook meteen een korting. Want het moest goedkoper.
Naast de transitie – de overdracht van taken – werd gesproken over transformatie. De jeugdhulp moest anders, effectiever, slimmer en beheersbaar worden. Gemeenten kregen daar een paar jaar de tijd voor.
We weten inmiddels hoe dat is uitgepakt. De kosten bleven stijgen. De samenwerking in regio’s schuurde. Inkoop werd complex en zwaar. Rond 2020 begonnen de signalen serieus te worden: regio’s die het financieel niet meer trokken, grote aanbieders die richting omvallen gingen.
Dat leidde uiteindelijk tot de Hervormingsagenda Jeugd 2023–2028. Een lijvig document. Acht sporen. Tientallen acties. Een forse monitoringsstructuur. Alles erop en eraan.
We zijn nu begin 2026. Halverwege. De onafhankelijke Deskundigencommissie concludeerde begin 2025 al dat de Hervormingsagenda noodzakelijk is, maar niet voldoende. Doorgaan op deze weg is niet genoeg om het stelsel beheersbaar en financieel houdbaar te maken.
Dat oordeel is pijnlijk. Maar niet verrassend.
Onze stelling is eenvoudig: de Hervormingsagenda gaat niet ver genoeg. Niet omdat mensen hun werk niet doen. Integendeel, die werken knetterhard. In ons beeld zijn er drie dingen die het succesvol zijn van de hervormingsagenda jeugd in de weg staan. En het zijn fundamentele dingen, alle drie.
1. Een systeem kan zichzelf niet heruitvinden
De Hervormingsagenda is gemaakt door de actoren in het systeem zelf. Door gemeenten, aanbieders, ministeries, koepels, commissies. Dat is logisch. En precies het probleem.
Systemen zijn uitstekend in optimaliseren. In bijstellen. In verbeteren. Maar slecht in zichzelf radicaal ter discussie stellen. Ze willen voortbestaan. Ze denken binnen hun eigen logica. Ze repareren wat ze kennen.
Een klein, maar veelzeggend voorbeeld zit in de taal. Sinds de Jeugdwet van 2015 is ‘jeugdhulp’ het wettelijke kernbegrip. ‘Jeugdzorg’ is historisch, en juridisch zelfs verdwenen. Toch keert in de Hervormingsagenda juist ‘jeugdzorg’ terug als overkoepelende term, waar jeugdhulp weer onder wordt gehangen.
Daarmee schuift ongemerkt een oud denkkader terug het beleid in. Niet als detail, maar als betekenisdragende ordening. Want taal bepaalt wat we zien, wat we denken, wat we normaal vinden. En dus, wat we problematiseren en welke oplossingen voorstelbaar zijn.
Een ander aspect is dat als je bewust de onderdelen ‘jeugdhulp’, ‘jeugdbescherming’ en jeugdreclassering’ weer onder de noemer ‘jeugdzorg’ samenbrengt, dat je dan ook de problemen op de verschillende onderdelen weer samenbrengt.
Die problemen grijpen naar alle waarschijnlijkheid als ‘1+1=3’ op elkaar in, waardoor het al snel weer een onoverzichtelijke kluwen wordt, die dus bewust nog ingewikkelder is gemaakt dan het van zichzelf al is.
Vervolgens zijn er weer, waarschijnlijk extern ingehuurde, kluwen-kluivers nodig die de in elkaar gerommelde draden als gordiaanse knoop op moeten zien te lossen en kaf van koren moet scheiden om de oplossingen behapbaar te krijgen.
Dat juist in een hervormingsprogramma deze begripsverwarring ontstaat, laat zien hoe hardnekkig systeemlogica is. Oude categorieën blijven het denken sturen, ook als de werkelijkheid formeel is veranderd.
Mensen werken keihard aan ‘vernieuwing’, maar kleuren ondertussen netjes binnen dezelfde lijntjes.
2. De waarden blijven buiten schot
De tweede blokkade ligt dieper. De Hervormingsagenda probeert de problemen in de jeugdhulp op te lossen binnen dezelfde waarden die mede aan die problemen ten grondslag liggen.
In de Hervormingsagenda komen steeds dezelfde noties terug: mentale gezondheid, prestatiedruk, kwetsbaarheid, inclusie, veiligheid, kansengelijkheid. Dat zijn geen neutrale termen. Ze horen bij een samenleving die tegelijk inzet op autonomie én bescherming, op zelfredzaamheid én maakbaarheid, op marktlogica én zorgplicht.
We leven in een cultuur waarin het individu verantwoordelijk is voor zijn leven, maar waarin falen steeds minder verdragen wordt. Waar prestaties de norm zijn, maar waar de samenleving zich ook steeds sterker geroepen voelt om in te grijpen wanneer die prestaties uitblijven. Die spanning produceert zorgvraag.
De Hervormingsagenda benoemt de symptomen, maar laat de onderliggende waarden grotendeels ongemoeid. Terwijl juist daar de voedingsbodem ligt.
Je kunt niet binnen een samenleving die sterk inzet op individualisering, risicomijding en maakbaarheid tegelijkertijd serieus normaliseren en demedicaliseren, zonder die samenleving zelf ter discussie te stellen. Dan wordt hervormen symptoombestrijding.
Echte hervorming vraagt dat we niet alleen het stelsel aanpassen, maar ons normatieve kompas bevragen. Wat verwachten we eigenlijk van jeugd? Van opvoeding? Van veerkracht? Van bescherming? Van verantwoordelijkheid? En vooral: wat níet meer?
Zolang dat gesprek niet wordt gevoerd, blijft de Hervormingsagenda gevangen in haar eigen morele kader.
3. De route wringt met de werkelijkheid
De Hervormingsagenda is opgezet als een vijfjarenprogramma. Dat past bij een evolutionaire gedachte: stap voor stap verbeteren, bijstellen, bijschuren.
De vraag is of de jeugdhulp zich in een fase bevindt waarin dat nog volstaat.
De decentralisatie van 2015 was geen rustige ontwikkeling, maar een systeemingreep. Tien jaar later is het stelsel nog steeds niet uitgekristalliseerd. Inhoudelijk niet. Financieel niet. Organisatorisch niet.
Tegelijkertijd lopen de druk en de urgentie op. Kosten, personeel, complexiteit. Dat schuurt met het idee dat we via langdurige bijsturing het probleem beheersbaar krijgen.
Daarmee dringt zich een ongemakkelijke vraag op: past hervormen hier nog wel? Of vraagt de situatie eerder om hertekenen? Om opnieuw lijnen trekken, in plaats van bestaande structuren verder inkleuren?
Dat is geen licht pleidooi voor revolutie. Maar wel de constatering dat een systeem dat nog niet stabiel is, zich mogelijk ook niet laat verfijnen. Misschien is dit geen knoop om te ontwarren, maar om door te hakken.
Tot slot
We kunnen niets doen. De jeugdhulp verder laten vollopen. Budgetten begrenzen. Wachten tot het systeem zelf vastloopt en de maatschappelijke schade zichtbaar groter wordt.
We kunnen doorgaan op de huidige weg. Hervormen binnen de bestaande kaders. Dat zal ongetwijfeld iets opleveren. Maar waarschijnlijk niet genoeg.
De derde weg is ongemakkelijker: het waardenkader openbreken. De uitersten expliciet maken. Het maatschappelijke gesprek voeren over normaliteit, verantwoordelijkheid, bescherming en maakbaarheid. Niet als beleidsdialoog, maar als normatief debat.
Zonder dat gesprek blijft de Hervormingsagenda vooral een technische exercitie in een moreel vraagstuk.
En zachte heelmeesters maken, ook hier, stinkende wonden.









